Italiaans : Nederlands per visitare la città = om de stad te bezichtigen visitare = bezichtigen imparare = leren passare le vacanze = de vakantie doorbrengen la vacanza = de vakantie Fate il dialogo. = Voer het gesprek. anch'io = ik ook Domandate a un'altra coppia. = Vraag een ander tweetal. domandare = vragen la lettura = de leestekst / het lezen