Italiaans : Nederlands adorare = dol zijn op di tutto = van alles le posate = het bestek anzi = sterker nog sopportare = verdragen la pazienza = het geduld stare lì a cercare = daar gaan rondzoeken tra la roba vecchia = tussen de oude troep la roba = het spul l’opinione = de mening avere opinioni diverse = van mening verschillen i Navigli milanesi = kanalen van Milaan milanese = Milanees