Italiaans : Nederlands a confronto = met elkaar vergeleken / vegeleken il coetaneo / la coetanea = de leeftijdgenoot il Nordeuropa = Noord-Europa la difficoltà = de moeilijkheid / het probleem mantenersi = in zijn onderhoud voorzien / leven / leven van l’affitto = de huur il costo della vita = de kosten van levensonderhoud il costo = de kosten / de prijs convivere = samenleven il partner / la partner = de partner il matrimonio civile = het burgerlijk huwelijk diminuire = verminderen / afnemen aumentare = toenemen / stijgen indipendente = zelfstandig / onafhankelijk provare a fare qc = proberen iets te doen conciliare = combineren l’aspettativa = de verwachting l’aspettativa di vita = de levensverwachting l’età pensionabile = de pensioengerechtigde leeftijd l’agricoltura = de landbouw il venditore ambulante = de straatverkoper la venditrice ambulante = de straatverkoopster l’immigrato / l’immigrata = de immigrant costituire = vormen redditizio / redditizia = winstgevend / rendabel il titolo di studio = het diploma riconoscere = erkennen riuscire a fare qc = iets kunnen doen / weten iets te doen la presenza = de aanwezigheid la società = de maatschappij / de samenleving multietnico / multietnica / multietnici / multietniche = multi-ethnisch multiculturale = multicultureel l’adolescente = de jongere l’origine = de afkomst Roma Caput Mundi = Rome, hoofdstad van de wereld (Latijn)